Beroeps- en hoger onderwijs
Laatst bijgewerkt op: 07-5-2012Na het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen doorstromen naar het beroepsonderwijs of naar het hoger onderwijs. Hierop zijn de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van toepassing. Omdat beroeps- en hoger onderwijs niet gratis is, is ook is de Wet op de studiefinanciering van groot belang.
Wet educatie en beroepsonderwijs
Het middelbaar beroepsonderwijs (Mbo) kent openbare en particuliere scholen. De regionale opleidingscentra (roc) bieden brede beroepsopleidingen aan op diverse gebieden, agrarische opleidingscentra (aoc) bieden brede beroepsopleidingen aan op het gebied van onder andere de landbouw en veehouderij en er zijn vakinstellingen die een opleiding tot een specifiek beroep aanbieden. Deze openbare scholen moeten voldoen aan door de overheid vastgestelde onderwijseisen en staan onder toezicht van de onderwijsinspectie. Deze scholen krijgen geld van de overheid voor het aantal ingeschreven studenten. Daarnaast zijn er particuliere scholen die zelf hun onderwijsaanbod bepalen. Zij krijgen geen geld van de overheid. Een particuliere mbo-school kan wel door de overheid erkent worden, dan houdt ook hier de onderwijsinspectie toezicht op de kwaliteit. In de Wet educatie en beroepsonderwijs staat verder onder andere hoeveel lesuren er op de verschillende Mbo-opleidingen gegeven moeten worden.
Organisatie Mbo-opleidingen
Het middelbaar beroepsonderwijs is georganiseerd in 4 niveau's:
niveau 1: assistent beroepsbeoefenaar
niveau 2: medewerker / basisberoepsbeoefenaar
niveau 3: zelfstandig medewerker / zelfstandig beroepsbeoefenaar / vakopleiding
niveau 4: middenkaderfunctionaris / gespecialiseerd beroepsbeoefenaar
Daarnaast is er de keuze voor twee verschillende leerwegen.
- beroepsbegeleidende leerweg (bbl). De leerling heeft een dienstverband van minimaal 24 uur per week bij een bedrijf. Één dag per week gaat de leerling naar school.
- beroepsopleidende leerweg (bol). De leerling gaat vier of vijf dagen per week naar school. Een deel van de opleiding loopt hij stage.
Tot slot zijn de opleidingen verdeeld over verschillende domeinen (hoofdonderwerpen).
De kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven zorgen voor de relatie tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven. Ze stellen kwalificatiedossiers op (waarin staat wat een leerling moet kennen en kunnen als hij klaar is met zijn mbo-opleiding) en erkennen en begeleiden stagebedrijven.
Kosten
Omdat veel jongeren voor hun 18de aan een Mbo-opleiding beginnen en zij pas vanaf hun 18de recht hebben op een ov-kaart en studiefinanciering, zijn ouders van Mbo-studenten jonger dan 18 geen lesgeld verschuldigd.
Let op: dit geldt alleen voor de openbare scholen. Om ouders met een laag inkomen te compenseren voor de kosten van schoolboeken en vervoer naar school kunnen zij een 'tegemoedkoming ouders' aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Vanaf hun achttiende kunnen Mbo-leerlingen zelf studiefinanciering en een ov-kaart aanvragen.
Medezeggenschap
Ook voor het Mbo geldt de Wet medezeggenschap op scholen. Mbo-scholen zijn verplicht een medezeggenschapsraad te hebben waar leerlingen op basis van verkiezingen zitting in hebben.
Klachten
Met klachten over een Mbo-school kunt u terecht bij de landelijke Ombudslijn Mbo. Deze Ombudslijn stuurt de klacht door naar de school en houdt in de gaten of de school deze klacht op tijd en goed afhandelt.
Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Het hoger onderwijs is georganiseerd volgens de bachelor-master structuur. Een bachelor-diploma bestaat in 2 varianten: een hbo-bachelor waarvoor een 4-jarige hbo-opleiding voltooid moet zijn en een wo-bachelor waarvoor 3 jaar aan een universiteit gestudeerd moet zijn. Ook masters zijn er in 2 varianten: de hbo-master en de wo-master. Masters duren altijd minimaal 1 jaar. Studenten met een hbo-bachelor kunnen (meestal na een schakelprogramma) doorstromen naar een wo-master. De onderwijsinstellingen van het hoger onderwijs moeten het studieprogramma zo indelen dat per studiejaar 60 studiepunten te behalen zijn.
In tegenstelling tot het basis-, voortgezet- en beroepsonderwijs is in het hoger onderwijs de inhoud van de lesprogramma's niet door de overheid vastgelegd. Onderwijsinstellingen zijn vrij om de inhoud te bepalen, maar zij moeten deze wel vastleggen in de Onderwijs en examenregeling (OER).
Kosten
Wie recht heeft op studiefinanciering betaalt voor zijn studie het wettelijke collegegeld. Hiervoor kunt u een collegegeldkrediet afsluiten; dit is een lening bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Wie geen recht heeft op studiefinanciering betaalt het (meestal veel hogere) instellingscollegegeld.
Wet op de studiefinanciering
Als je je vóór je dertigste inschrijft op een hogeschool of universiteit, kun je studiefinanciering aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De studifinanciering bestaat uit vijf onderdelen:
- de basisbeurs; je krijgt een basisbedrag afhankelijk van of je op jezelf woont of bij je ouders thuis
- de aanvullende beurs; deze is bedoelt voor studenten van wie de ouders te weinig verdienen om een financiele bijdrage te leveren
- een studentenreisproduct; dit is een gratis reisabonnement voor het openbaar vervoer waarbij je kunt kiezen voor gratis reizen doordeweek of in het weekend
- een rentedragende lening; je kunt tegen een geringe rentevergoding een bedrag per maand lenen
- een collegegeldkrediet; om je collegegeld te betalen kun je een extra bedrag lenen tegen een geringe rentevergoeding
Je hoeft de basisbeurs, aanvullende beurs en het studentenreisproduct niet terug te betalen als je je opleiding binnen 10 jaar met een diploma afgerond hebt.

